Makelaar Hans krijgt opdracht van zijn cliënt en vaste klant, Frits, om kantoorruimte te zoeken. Dit in verband met een op handen zijnde uitbreiding van zijn bedrijf. Op een dag ziet Hans bij zijn collega makelaar Peter kantoorruimte te huur staan. Het pand betreft een zogenoemde kantoorvilla met een chique uitstraling. Echt iets voor Frits. Hans neemt contact op met Frits, die ook direct enthousiast is en maakt een afspraak voor bezichtiging. Het pand is op dat moment nog in gebruik als gezondheidscentrum. Na de bezichtiging vindt er een bespreking plaats tussen Peter, Hans en Frits. Tijdens deze bespreking laat Frits weten dat hij interesse heeft voor het pand. Tevens maakt hij aan de verkopend makelaar duidelijk dat hij het pand wil gebruiken als kantoor. De huurovereenkomst komt na intensieve onderhandelingen tot stand. In de aanbiedingen van Peter en in de huurovereenkomst staat vermeld dat Frits het pand als kantoor wil gebruiken.
Procedure
Omdat Frits het een en ander wil verbouwen, vraagt hij een bouwvergunning aan bij de Gemeente. Tot zijn schrik wijst de gemeente de bouwvergunning af, omdat het pand volgens het bestemmingsplan de bestemming ‘wonen’ heeft. Frits neemt het pand dan ook niet in gebruik en houdt op met betalen van de huurpenningen. De verhuurder start een procedure tegen Frits en Peter. Frits roept op zijn beurt Hans in vrijwaring op.
Gelukkig voor Frits loopt de zaak goed af. De rechter is van oordeel dat de overeenkomst dient te worden vernietigd op grond van dwaling, omdat de verhuurder onjuiste informatie heeft verstrekt door het pand als kantoorruimte aan te bieden. Maar in het vonnis wordt door de rechter ook opgemerkt dat de gedragingen van de door de huurder en verhuurder ingeschakelde makelaars aan deze partijen worden toegerekend. Peter (en daarmee dus ook de verhuurder) heeft volgens de rechter zijn mededelingsplicht geschonden door het pand als kantoorruimte aan te bieden, terwijl dit gebruik volgens het bestemmingsplan niet was toegestaan. Hans (en dus ook Frits) diende, alvorens de huurovereenkomst aan te gaan, bij de gemeente na te gaan of het pand over de juiste bestemming beschikte, vooral ook omdat Frits van plan was er een heel ander bedrijf in te vestigen dan tot dan toe het geval was. Volgens de rechter dienden zowel de aanhurend makelaar als de verhurend makelaar nader onderzoek naar de bestemming te doen. Beide partijen kunnen de ander dan ook niet voor hun kosten aanspreken en beide makelaars moeten hun courtage teruggeven.
Als makelaar kunt u uw opdrachtgever (en ook uzelf) een hoop narigheid besparen indien u vooraf recherche pleegt naar de bestemming van het pand, ongeacht in welke hoedanigheid u optreedt. ‘ff checken’ dus!
Mr. Florie J. Zijp-Keuning, BAVAM
De namen zijn zoals altijd gefingeerd.