Makelaar Tim krijgt een verhuuropdracht van de broers Hans en Frans, die voorheen kwekers waren. Zij zijn gestopt met hun bedrijf en willen de opstallen graag verhuren. Het betreft een complex bestaande uit een bedrijfsgebouw, kantoren en een kleine kas. Uiteindelijk wordt een huurovereenkomst gesloten met het bedrijf Groei en Bloei, geleid door B. Gonia, dat zich bezighoudt met het opkweken van planten. Door makelaar Tim wordt een huurovereenkomst opgemaakt volgens het model ‘huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte niet ex artikel 7A:1624 BW’ (thans artikel 7:290 BW). In de omschrijving wordt vermeld dat het gebouw uitsluitend gebruikt mag worden voor de opkweek van agrarische producten, dit in overeenstemming met het voorgenomen gebruik van de huurder.
Nadat Groei en Bloei het pand heeft betrokken klaagt Gonia over lekkages en andere gebreken in het pand. Gonia geeft te kennen dat hij de overeengekomen huurprijs niet zal voldoen voordat de gebreken zijn verholpen. De huurpenningen worden vervolgens niet betaald.
De opdrachtgevers van makelaar Tim, Hans en Frans, proberen B. Gonia alsnog te bewegen de huur te voldoen, maar hun pogingen lopen op niets uit.
De twee broers starten daarop een kort gedingprocedure bij de kantonrechter met een vordering tot nakoming van de huurovereenkomst.
De kantonrechter komt na bestudering van de stukken echter tot het vonnis dat er sprake is van een pachtovereenkomst en niet van een huurovereenkomst. De kantonrechter acht zich daarom onbevoegd van dit geschil kennis te nemen. Verbijsterd hebben Hans en Frans tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Hoe de zaak verder af zal lopen is nog niet bekend.
Wel duidelijk is, dat indien er sprake zou zijn van pacht, de overeenkomst ter goedkeuring voorgelegd had moeten worden aan de Grondkamer. Tevens zou de Grondkamer een uitspraak hebben gedaan over de hoogte van de pacht. Nu de overeenkomst niet is voorgelegd aan de Grondkamer, het betrof tenslotte een huurovereenkomst, kan de betaling van de pachtprijs niet worden afgedwongen. Artikel 9 van de pachtwet verzet zich tegen het innen van de pacht indien de overeenkomst niet is goedgekeurd.
Het moge duidelijk zijn dat de arme broers niet bedacht waren op de eventuele verstrekkende consequenties van een en ander. Wat wél voor de hand ligt is dat de makelaar de vraag krijgt waarom zij hiervoor niet waren gewaarschuwd.
Mr. Florie J. Zijp-Keuning, BAVAM
De namen zijn zoals altijd gefingeerd.
Uit: BAVAM Balans nummer 2, jaargang 6