Eerlijk duurt het langst (juni 2003)

Ten tijde van de op handen zijnde invoering van de ‘Brede Herwaardering’ stuurt assurantietussenpersoon Henk Hemink eind september 1990 een aanbiedingsbrief naar zijn cliënten met daarbij gevoegd een aanvraagformulier voor een lijfrentepolis. Van een groot aantal cliënten ontvangt hij bericht dat zij een dergelijke verzekering af wensen te sluiten.

Eén van die cliënten is Bas Borkink. Tezamen met alle andere ingevulde aanvraagformulieren geeft Henk de aanvraag van Bas Borkink op 24 oktober 1990 mee aan de inspecteur van de maatschappij. Op het aanvraagformulier wordt een ingangsdatum vermeld van 11 oktober 1990, vier dagen vóór de uiterlijke datum waarop deze lijfrentepolissen nog konden worden afgesloten. Op het aanvraagformulier staat als datum van ondertekening 6 oktober 1990 vermeld. De polis wordt eind december door de maatschappij opgemaakt met als ingangsdatum 11 oktober 1990. Door Bas worden de premies als lijfrentepremie in mindering gebracht op zijn inkomen.

De Belastingdienst heeft enige jaren later bij een groot aantal maatschappijen de polissen waarvoor premieaftrek is genoten onderzocht. Zo ook de lijfrentepolis van Bas Borkink. Op basis van dit onderzoek heeft de Belastingdienst het aannemelijk geacht dat de verzekering niet vóór 15 oktober 1990 tot stand kon zijn gekomen. Volgens de Belastingdienst heeft Henk Hemink getracht door middel van een valse handtekening en een onjuiste dagtekening de indruk te wekken dat de aanvraag vóór 16 oktober 1990 was opgemaakt.

De Belastingdienst is dan ook van mening dat de polis ten onrechte niet is aangepast aan de eisen van het regime dat geldt vanaf 1 januari 1992. Bas ontvangt daarop een navorderingsaanslag met boete van de Belastingdienst voor de ten onrechte afgetrokken premies.

Bas is het met deze navorderingsaanslag niet eens en start een procedure tegen de Belastingdienst en gaat door tot de Hoge Raad. Die oordeelt dat er bewust naar is gestreefd de indruk te wekken dat de verzekering, in weerwil van de werkelijkheid, voor 16 oktober 1990 tot stand is gekomen.

Omdat Bas vervolgens Henk Hemink aansprakelijk heeft gesteld meldt Henk deze kwestie bij BAVAM. Echter, voor een dergelijke zaak bestaat geen dekking op zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Er is in de onderhavige kwestie geen sprake van een door Henk begane vergissing, onachtzaamheid, nalatigheid of verzuim. Uit de arresten van het Hof en de Hoge Raad blijkt dat het aanvraagformulier niet door Bas zelf is ondertekend, maar door Henk, die de handtekening van Bas heeft nagebootst. Voorts is de dagtekening onjuist gebleken. Met andere woorden, er is sprake van valsheid in geschrifte. Daarvoor bestaat uiteraard geen dekking.

Hoewel Henk dacht zijn cliënt ter wille te zijn, zit hij nu zelf met de brokken. Eerlijk duurt toch nog altijd het langst.

Mr. Florie J. Zijp-Keuning, BAVAM

Om redenen van privacy zijn in deze praktijkcasus gefingeerde namen ge-bruikt.

Praktijkvoorbeelden